Het begin van Pondfarm:
Wisselende bezetters van de hoeve in de oorlog: - 1914: Britten (Zie boek Ieperboog: Slagveld België 10)
- 27-04-1917: Duitsers - 31-07-1917: Britten; Duitsers (enkele dagen) - 03-08-1917: Britten - 22-08-1917: Britten, 2/5 Gloucestershire Batallion (zie verder). - 28-09-1918: Belgen (uiteindelijk werd het definitief heroverd door het het Belgisch leger bij hun succesvol eindoffensief).
Op 22 augustus 1917 deed het 2/5 Gloucestershire Batallion een aanval, onderdeel van de 3e Slag bij Ieper, op Pondfarm en veroverde die ook. Dit resulteerde in 3 officieren en 16 andere soldaten die omkwamen; 1 officier en 51 andere soldaten die gewond raakten, en 1 soldaat die vermist bleef (2/5 Gloucestershire Battalion War Diary). Hun commandant was toen Kolonel Collet. De drie officieren die sneuvelden en vermeld worden in de "Roll of Honour" van Officieren van het Gloucestershire Regiment waren: DAVIS, Sidney Alfred, 2nd Lt., 25 jaar, + 22nd August 1917. Het eerste gezin dat het opnieuw aanduurfde om terug te keren naar het dorp, arriveerde op 14 januari 1920. De rest van de inwoners kwamen later, traag maar zeker. Iedereen die de moed had om hier een nieuw leven te beginnen leverde echt pionierswerk. In het begin van de heropbouw kregen Cyriel Petillion en Arseen Marant het bericht van de burgemeester en secretaris van Langemark, dat het parochiaal gebied terug zou verdeeld worden tussen Langemark en Zonnebeke. Tengevolge daarvan verkozen heel wat mensen in Langemark te herbouwen. Cyriel en Arseen stelden een petitie op en verzamelden de handtekeningen van al de teruggekeerde bewoners om aan de bisschop van Brugge het behoud van de parochie Sint-Juliaan te vragen. Deze aanvraag werd onmiddellijk door het bisdom ingewilligd.
Op de Pondfarm werden de grenzen van het land uitgetekend door Arseen Marant met een ploeg voortgetrokken door een paard. Eerst werd een houten barak gebouwd met balken die ze overal konden vinden. Later volgde een huis dat werd gebouwd met stenen die ze zelf maakten. Die stenen zijn ongelijk van vorm en soms zwart gerookt door de as van de kachel die ze er in gebruikten. Nog later werd een nieuwe hoeve gebouwd. Het oudere huisje diende dan verder voor verblijf van het hoevepersoneel. Na de oorlog lagen er in de streek hopen patroonhulzen zo hoog als de huizen. Deze werden door de overheidsdiensten opgehaald en weggevoerd. Aanvankelijk was het verboden om koper in zijn bezit te hebben. Koper was immers een duur en waardevol materiaal. Agenten in burger, patrouilleerden dan ook om diefstal te voorkomen of om eventuele verzamelaars, ... dieven, op te pakken. Deze verzamelaars staken daartoe het land in brand om zo alles te laten ontploffen wat er te ontploffen viel. Het leek wel of de oorlog opnieuw begonnen was. De volgende dag kon men dan de opgeworpen hulzen gaan rapen. Ook het weer speelde soms een rol zoals in de zomer van 1921. Die zomer was verschrikkelijk warm zodat er door de hitte ook regelmatig brand ontstond in ongereinigde gebieden, vooral rond de Fortuinhoek. Het land van de Gallipoli farm lag er na de oorlog lang braak bij. Zo werd het dan maar gebruikt als munitie depot en ook als ontploffingsterrein. Men liet er ook dikwijls gasbommen ontploffen. Wanneer de wind in richting van de buren waaide, dreef het vrijgekomen gas naar hen toe. De buren moesten dan rond het vuur van de open haard gaan staan omdat het vuur het gas verdreef. Het zoeken naar oorlogsbuit was ook voor de teruggekeerde inwoners de voornaamste bezigheid en een bron van inkomen. Pas op de 2de plaats kwamen zij ertoe gewassen te verbouwende op plaatsen die gereinigd waren. Tot in 1923 waren de enige gewassen die er verbouwd werden: haver, erwten en paardebonen. Velen hadden na de oorlog verklaard dat het onmogelijk was om het dorp te herbouwen en de gronden weer vruchtbaar te maken. Deze voorspellingen bleken al vlug niet te zullen uitkomen, integendeel. Heel wat inwoners verdienden ook goed hun brood door handel in oorlogsbuit. Daar de zaken winstgevend waren, werd er veel gedronken zodat verschillende cafés opgericht werden. In " De Barrière" had de schilder Cyriel Ghyselen heel het front afgebeeld. In de woning van de 'Pondfarm' werd door dezelfde schilder de nieuwgebouwde hoeve op de muur geschilderd.
Na de oorlog duurde het lang eer de Roeselarestraat werd hersteld. Het wegdek bestond uit kasseistenen maar er bleven steeds maar verzakkingen in te komen. Uiteindelijk heeft men deze kasseien verwijderd en er een nieuwe weg aangelegd. De meeste kasseien werden opgekocht door de bewoners van de straat. Hier en daar zie je de kasseien nog. Op Pondfarm werd er ook een kleine weg mee aangelegd 'Konden die stenen praten', dan zouden zij veel over die oorlog kunnen vertellen. Tot op een dag van vandaag wordt er nog veel oorlogsmateriaal gevonden. IJzeren voorwerpen komen immers traag omhoog uit de grond. Na natte seizoenen. De gevonden oorlogsmunitie werd vroeger 2 à 3 keer per jaar op gehaald door de ontmijningsdienst (DOVO). Hiervoor moeten wij een melding doen bij de gemeentepolitie (Langemark). Zij komen eerst een controle doen of de aangifte juist is en pas daarna komt de ontmijningsdienst. Sedert 2003 neemt de politie notities van het gevonden oorlogsmunitie. Wij kregen de toelating om 1 keer per jaar melding te doen vandaar dat we nu jaarlijks een foto kunnen nemen van de vondsten in de zomer. Op onderstaande fotos zie je voorbeelden van hoe de vondsten word genoteerd, en enkele foto's van Dovo die de munitie komt ophalen(14/12/10).
|
|||












